Europarlement eist meet invloed op

Diplomatieke dienst EU niet rond

Door: Rianne Waterval | 11.06.2010

Het is maar zeer de vraag of de Europese diplomatieke dienst nog dit jaar operationeel kan zijn. In Brussel wordt al wel volop personeel geworven, maar het Europees Parlement moet nog instemmen met de blauwdruk van de nieuwe organisatie.

De onderhandelingen over de opzet van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO), de eigen diplomatieke dienst van de Europese Unie, zijn in volle gang. Het Europees Parlement moet nog instemmen met de blauwdruk voor het diplomatencorps. Toch begon de Europese Commissie  al met het werven van personeel. Louise van Schaik, onderzoeker bij Instituut Clingendael, benadrukt dat overeenstemming met het parlement niet lang meer op zich kan laten wachten: ‘Er wordt nog flink wat gesteggeld, maar het parlement zal toch overstag moeten gaan.’

Het Europarlement liet zich in maart kritisch uit over een eerder voorstel van Catherine Ashton, de hoge vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid. De Europarlementariërs zouden te weinig zeggenschap krijgen over de EDEO. Zij pleitten voor een brede en ambitieuze dienst waarbij het zwaartepunt van de activiteiten bij de Europese Commissie ligt, waarmee indirect ook een grotere rol voor het parlement is weggelegd. Nationale parlementen gaan hier maar gedeeltelijk in mee en wijzen op het Verdrag van Lissabon, dat stelt dat buitenlands en veiligheidsbeleid intergouvernementeel terrein blijft.

Van Schaik geeft aan dat Ashton een moeilijke opdracht heeft. ‘Ze is vicepresident van de Europese Commissie, moet verantwoording afleggen aan het Europees Parlement, bij een crisis direct ter plaatse zijn en iedere maand de raad van ministers van Buitenlandse Zaken voorzitten. Bovendien heeft ze maar een handjevol mensen ter beschikking. Beslissingen op het terrein van het EU-veiligheidsbeleid moeten nog steeds met consensus worden genomen. Ashton beschikt niet over een apparaat om bestuurders te leiden naar de gewenste beslissing.’

Volgens Van Schaik is met de praktische invulling van de dienst slechts een eerste stap gezet. ‘Er is op veel terreinen nog onenigheid over de (deel)onderwerpen die inhoudelijk naar deze dienst gaan. Dat is vergelijkbaar met het traditionele debat over wat een vakministerie en het ministerie van BZ doet. Die discussie zal nog in alle hevigheid losbarsten.’

Nieuwe reactie inzenden

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
CAPTCHA
This question is for testing whether you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Neem de karakters uit de bovenstaande afbeelding over.