Ko de Ridder: Kritische massa
Ko de Ridder is hoogleraar bestuurskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en voorzitter van Vide, de beroepsvereniging van toezichthouders.
Toezicht is lange tijd geen probleem geweest – althans niet voor de politiek en voor het grote publiek. We vonden het allemaal vanzelfsprekend dat de overheid het vlees keurde dat wij aten, dat de overheid waakte tegen brandgevaarlijke situaties, dat er van tijd tot tijd een inspecteur van de overheid op de school van onze kinderen kwam en dat de overheid bedrijven aanpakte die een bedreiging vormden voor ons milieu.
Dat was in de vorige eeuw, vóór het rampjaar 2000. Het onheil dat onze samenleving in deze nog jonge eeuw trof – een grote explosie, ernstige branden, agrarische ziekten, om er maar een paar te noemen – veranderde toezicht van een vage bestuurlijke bezigheid in de achtergrond van ons bestaan tot iets van wezenlijk belang voor onze veiligheid en onze gezondheid.
We ontdekten dat het toezicht en vooral de bijbehorende handhaving op veel terreinen niet zo strak en streng was als nodig voor ons vertrouwen. Het verschijnsel ‘gedogen’ raakte bekend, én berucht. Niet gedogen in de politiek, maar het gedogen door het toezichthoudend gezag van overtredingen van regels. Weg met die moet-kunnen-mentaliteit!, zo was de reactie. In het vuur van de strijd tegen het gedogen ontstond bijvoorbeeld, nog geen tien jaar geleden, de Vrom-Inspectie. ‘Versterking van de handhaving is één van de topprioriteiten van het kabinet,’ luidde de eerste zin van de Memorie van Toelichting bij de wet Instelling Inspectoraat Generaal Vrom. Toen de strijd tegen het gedogen serieuze vormen ging aannemen, begon de samenleving last te krijgen van toezicht. In de eerste plaats het gereguleerde bedrijfsleven, dat al die toegenomen aandacht maar matig kon waarderen. De administratieve lasten van toezicht rezen de pan uit, vond men. Maar ook de politiek krabbelde terug: het toezicht werd een kostenpost op de begroting, waar wel twintig procent of meer van afkon. Inmiddels is het ministerie van Vrom opgeknipt en de Vrom-Inspectie verdwenen. Andere inspecties worden gekortwiekt. Het bedrijfsleven kan weer wat ruimer ademhalen. Of toch niet?
Voorop gesteld zij dat we niet al te snel moeten afgaan op de klachten van individuele ondernemers over administratieve lasten en regeldruk. Immers, als deze barrières voor alle ondernemers hetzelfde zijn, dan is het bedrijf dat het slimst met de regels weet om te gaan het meest succesvol. In dat opzicht zijn regels en inspectielasten niet anders dan andere barrières die ondernemers moeten zien te overwinnen: barrières als klimaatverandering, logistieke problemen, slimme concurrenten, en lastige medewerkers. De ondernemer die daar het handigst in is, wint de concurrentieslag. Een level pIaying field, het liefst in heel Europa, is een eerste vereiste voor een effectieve regulering.
Is er dan geen reden om ons druk te maken over administratieve lasten, regeldruk en het zelfrijzend bakmeel van de toezichtgemeenschap? Er is wel een reden, en die is niet gelegen in de kosten voor individuele ondernemers, maar in de maatschappelijke kosten. Regels en toezichthouders hebben maatschappelijke baten – althans, dat veronderstellen wij. Zonder regels over medische behandeling, over onderwijskwaliteit, over de voorkoming van zware ongevallen of over de behandeling van vlees zou de gemeenschap er slechter voor staan. Maar slechte regels en ondoelmatig toezicht maken de productie van goederen en diensten duurder dan nodig. Een maatschappelijke kosten-baten analyse dient dan ook het richtsnoer te zijn bij elke evaluatie van regelgeving en toezichtarrangementen – met inbegrip van de samenwerking tussen toezichthouders. De afgelopen tien jaar is niet alleen de maatschappelijke aandacht voor het toezicht steeds groter geworden – ook de wetenschap is zich steeds meer in regulering, toezicht en handhaving gaan verdiepen.
De toezichtwetenschap heeft zo langzamerhand de kritische massa bereikt waarmee zij waardevolle bijdragen kan gaan leveren aan de verheldering van de lasten én de baten van toezicht in de meest brede zin. Een toezichtwetenschap die kritische distantie gepaard doet gaan met maatschappelijke betrokkenheid kan een belangrijke bijdrage leveren aan de verzakelijking van een maatschappelijk debat dat tot dusver vooral op indrukken en vooroordelen gebaseerd lijkt te zijn.
Gerelateerde artikelen
- De utopie van een risicoloze samenleving
- ‘Gemeenten hebben vaak een excuustruus voor Europa’
- Goed toezicht vraagt om keuzes
- 'Voorkomen zorginfarct vraagt om andere mindset'
- ' De publieke zaak heeft geen gezicht meer'
- Maarten Verwey: Europeaan van 2010?
- Zweedse lessen
- Impressies van de klimaattop in Cancún
- Kamer zit toezicht in de weg
Trefwoorden
Van onze partners
Gratis elke week het belangrijkste nieuws van PM Public Mission in uw mailbox? Schrijf u dan hier in voor onze e-mailnieuwsbrief.










Nieuwe reactie inzenden