Met haar oproep in de Volkskrant om ambtenaren mee te laten doen aan chats en discussies op internet heeft minister Cramer van Vrom de discussie over ambtenaren en hun aanwezigheid op internet aangezwengeld. De PvdA-bewindsvrouw signaleert dat de burger sinds de opkomst van het internet de beschikking heeft gekregen over meer informatie en dus meer kennis van zaken heeft. De burger is mondiger worden, en de rijksoverheid ‘neemt de mensen af en toe niet serieus, terwijl ze verdorie ook heel goed zijn geïnformeerd’, aldus Cramer. De gevolgen – een groeiende argwaan jegens de overheid en een kloof tussen bestuurders en het lekencircuit – zijn weg te nemen door ambtenaren actief deel te laten nemen aan discussies op webfora, zonder daarbij te oordelen over de discussie zelf.
De minister heeft met haar analyse de discussie over ambtenaren en internet ‘op de kaart gezet’, stelt Anne-Marie Stordiau, directeur Voorlichting bij het ministerie van Justitie. ‘Het is een belangrijk onderwerp: hoe gaan we met nieuwe media om en wat zijn de consequenties? Er is een tendens naar het communicatiever worden van ambtenaren die veel meer gericht zijn op de samenleving. Dit zou een logische stap kunnen zijn. De aanwijzingen van Kok [de zogeheten Oekaze-Kok, RvdD] zijn behoorlijk streng, maar tegelijkertijd besef je dat ze met de komst van alle interactieve media volstrekt achterhaald raken en obsoleet geworden zijn. De overheid wordt daardoor gedwongen het been bij te trekken.’
Ook Cramers ‘eigen’ algemeen directeur Communicatie Sicco Louw ziet dat nieuwe media de communicatiewereld veranderen. De huidige communicatieregels voor ambtenaren zijn opgesteld in een tijd dat de context veel overzichtelijker was, zegt hij. Er was contact met burgers, met politici en met de pers. Louw: ‘Maar de wereld is niet meer zo overzichtelijk. De burger is eigenlijk ook journalist, die op zijn eigen Hyvespagina berichten kan plaatsen. De tijd waarin onderscheid werd gemaakt tussen de traditionele zender en ontvanger is echt voorbij, dankzij internet zijn ontvangers ook zender geworden, met een eigen dynamiek. Groots opgezette discussies via internet waren niet aan de hand.’
Remco Dolstra, directeur Communicatie bij Financiën, betitelt de discussie over ambtenaar en internet als ‘interessant’. ‘De regels die er nu zijn, lijken voor Financiën tot nu toe wel te voldoen, daar hebben we nog nooit problemen mee gehad. Onze informatie is vaak heel feitelijk en mensen kunnen dat op onze websites goed terugvinden. Maar de regels zijn wel heel erg van toepassing op oude media en zeker niet op 2.0-toepassingen.’
De minister heeft de centrale vraag goed geformuleerd, stelt Louw. ‘Wat doe je als je op internet een enorme discussie tegenkomt over het onderwerp waar je als beleidsambtenaar mee bezig bent? Kijk je toe, of neem je actief deel aan de discussie?’ In Amerika is het heel normaal dat ambtenaren zich in internetdiscussies mengen, weet Stordiau. Ze signaleert wel een aantal vragen: is inmenging op fora en weblogs inderdaad een instrument dat de overheid wil inzetten, hoe doe je dat dan en in welke hoedanigheid, als privépersoon of als ambtenaar in dienst van het rijk? Dolstra: ‘Ik ga er vanuit dat ambtenaren die de behoefte voelen iets op een website te doen, contact opnemen met de afdeling Communicatie, zeker als je ziet hoe er op internet gekeken wordt naar het openbaar bestuur. De vraag speelt niet echt een grote rol bij Financiën, maar als het zou spelen, zou ik niet per se zeggen dat het niet mag. Wie is er nou tegen het tegengaan van het verspreiden van onjuiste informatie?’
Indianenverhalen
Hoogleraar communicatie Jan van Dijk, verbonden aan de Universiteit Twente en gespecialiseerd in overheidscommunicatie, betwijfelt of inmenging van ambtenaren in internetdiscussies de overheid helpt haar geloofwaardigheid terug te winnen. ‘Het is heel mooi dat de overheid en ambtenaren interesse opbrengen voor discussies op internet, dat ze daardoor weten wat er bij burgers leeft en daaruit hun conclusies trekken. Maar ik denk dat het om een aantal redenen niet de juiste oplossing is.’ Ten eerste, stelt Van Dijk, zijn er heel veel websites met wat hij ‘misinformatie’ noemt: onjuiste informatie zoals de vermeende indianenverhalen over bijwerkingen van de prik tegen de Mexicaanse griep of – een jaar geleden – ophef over de gevolgen van inenting tegen baarmoederhalskanker bij twaalf- en dertienjarige meisjes. ‘Een hoop mensen geloven daarin,’ signaleert Van Dijk. Het is ‘dweilen met de kraan open’ als de overheid zich ermee gaat bemoeien. ‘Ten tweede komt het nogal bemoeizuchtig over en als mensen al problemen hebben met de geloofwaardigheid van de overheid, is het niet heel tactisch daar tegen in te gaan.’ Een derde punt is dat het bij een chattende ambtenaar niet altijd duidelijk is vanuit welke rol hij op internet aanwezig is: om privéredenen of vanuit werk, een argument dat Stordiau ook al aanhaalde. ‘Het is een mooi idee dat je met mensen wilt praten, maar je bent dan heel erg afhankelijk van je geloofwaardigheid.’
Er is een betere oplossing om indianenverhalen te bestrijden en te werken aan de geloofwaardigheid van de overheid, aldus Van Dijk. ‘Start eigen websites over actuele onderwerpen en zorg ervoor dat ze goed te vinden zijn in zoekmachines,’ zegt de hoogleraar. ‘Zorg dat je bovenaan komt bij zoekresultaten in Google. Dat kost misschien geld, maar het werkt wel. Mensen googelen echt heel beroerd. Ze zijn niet kritisch en klikken op de eerste link die ze vinden.’ Een website met eigen informatie biedt niet 100 procent garantie geloofd te worden, zegt Van Dijk. ‘Maar je hebt in elk geval twijfel gezaaid.’ ·
Voeg commentaar toe