De generatiediscussie is terug, of is misschien wel nooit echt weggeweest. In ieder geval hoor ik de laatste tijd weer vaker over dertigers- of twintigersavonden op plekken als de Rode Hoed en theater Frascati. Het zijn avonden waarop een generatie onder de loep wordt genomen en leeftijdgenoten praten over hun visie op de wereld.
Zelf vind ik deze introspectie wel een verfrissende benadering, want in de meeste generatiediscussies waar ik de afgelopen tien jaar ben geweest, definieerden de deelnemers hun generatie niet door naar zichzelf te kijken maar door zich af te zetten tegen de voorgaande generatie. Deze zogenaamde antibabyboom generatiediscussies gingen gebukt onder enorme clichés, simplisme en welhaast verlaat puberaal afzetten tegen de eigen ouders of de bazen van die ouders. Hoe groot is het cynisme als je vervolgens ziet dat veel van de woordvoerders van destijds, zich tegenwoordig bedienen van dezelfde retoriek en technieken die je tien jaar geleden op hoon waren komen te staan.
Toch was het niet alleen maar slecht. Want in het gebrek aan relativering zat wel een kracht die ik mis in de huidige generatiediscussies. De gesprekken zijn nu vriendelijker en open, maar ook ontzettend op zichzelf gericht en vol kleinzieligheid. De onderwerpen zijn de dwangmatige nadruk op zelfontplooiing en de keuzestress die daaruit voortvloeit. Niks geen discussies over politiek leiderschap, internationale verantwoordelijkheid of de grote omwenteling. De eigen navel wordt als middelpunt van de wereld beschouwd. Feiten bestaan niet en kennis is relatief. Sterker nog, het hebben van een mening maakt je een fanaticus. Laat staan als je zegt dat je mening beter is dan iemand anders zijn mening. Dan ben je een fundamentalist. Dus iedereen houdt het klein en braaf en deze gesprekken verzanden in vriendelijk gekeuvel. Het brengt mij, als begin dertiger, in de vreemde positie dat ik soms al verlang naar vroeger.
Voeg commentaar toe